Gewoonlijk heeft de hoed een kleur van gebroken wit, precies zoals de normale champignon ook zal hebben. De hoed kan een doorsnede van maximaal 15 centimeter bereiken. De lamellen zijn oorspronkelijk lichtroze van kleur en neigen op latere leeftijd naar chocoladebruin. De karbolchampignon wordt vanaf het voorjaar tot het najaar aangetroffen in vrijwel alle mogelijke beschutte habitats, waaronder bossen, parken en tuinen.
De karbolchampignon komt veelvuldig voor in diverse landen van Europa, Noord-Amerika, westelijk Azië, noordelijk Afrika en zuidelijk Afrika. In Australië heeft hij zich door menselijke falen een plekje toegeëigend in de mycoflora.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Agaricus, is tot ons gekomen via het Latijn en daarna uit het Oudgrieks, waar agarikón (ἀγαρικόν) verwees naar Agaria, een land dat behoorde tot Sarmatia, dat ten tijde van het Romeinse Rijk een uitgebreid gebied bestreek van Roemenië tot ver in Zuid-Rusland. Zeg maar die van de Sovjet-Unie afgescheiden delen die al die nieuwe landen zijn geworden. Bossen zat daar, waar vele soorten van dit geslacht veelvuldig konden worden aangetroffen. Het tweede deel, xanthodermus, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij xanthos 'geel' is en derma 'huid'. Met andere woorden: de karbolchampignon heeft een geel huidje en dat klopt. Wanneer de stam of hoe van deze paddenstoel doorgesneden of beschadigd wordt dan verkleuren ze sterk zwavelgelig.
![]() |
[Foto: James K. Lindsey] |
De karbolchampignon heeft gelukkig een sterke en karakteristieke geur. De geur is fenolachtig en doet denken aan de ouderwetse carbolzeep. Het ligt een beetje aan je persoonlijke smaak of je het een onaangename of aangename aantasting van je reukorgaan is, maar het zou een duidelijk signaal moeten zijn als je de karbolchampignons in een pan stopt om ze te koken of bakken. Een carbolgeur hoort niet in gerechten thuis.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten