Zwarte roest

Zwarte roest is een ernstige schimmelinfectie in granen, vooral tarwe. Het wordt veroorzaakt door de schimmel Puccinia graminis tritici. Onder de juiste omstandigheden kan deze ziekteverwekker meer dan 70% van de oogst vernietigen. Door veredeling van cultivars dacht men vanaf 1954 zwarte roest in tarwe te hebben uitgeroeid, maar de natuur blijkt opnieuw slimmer dan de mens.
De schimmel muteerde zich ongemerkt en in 1999 werd een nieuwe virulente variant aangetroffen in tarweakkers in Oeganda. Het ras raakte bekend als Ug99 (een afkorting van het land en het ontdekkingsjaar), maar volgens de officiële nomenclatuur wordt het TTKSK genoemd en er bestaan intussen al dertien versies van Ug99. Nu is deze stam al aanwezig in 13 Afrikaanse landen. De volgende stam werd in 2005 ontdekt in Turkije en deze kreeg de naam TKTTF en is niet verwant met Ug99.

In voorjaar van 2016 bleek er een epidemie van zwarte roest in duizenden hectare tarwevelden op het Italiaanse eiland Sicilië te heersen. Laboratoriumonderzoek toonde aan dat de schimmel zich opnieuw had gemuteerd tot TTTTF.

De levenscyclus bestaat uit vijf stadia die op twee verschillende waardplanten doorlopen worden. Het begint op de tarweaar, dan springt de ziekteverwekker over op de zuurbes (Berberis vulgaris) waar de schimmel zich verder ontwikkeld. Uiteindelijk besmet zwarte roest de tarwe opnieuw die daardoor verloren gaat. Omdat zich op de zuurbes ook een deel van de ontwikkeling afspeelt, kunnen daarop ook nieuwe mutaties ontstaan. Geen wonder dat boeren de zuurbes vaak niet op hun landerijen willen hebben.

Nee, in Nederland is zwarte roest nog niet aangetroffen, maar in Duitsland wel. In 2013 werd op enkele percelen, waarop tarwe verbouwd werd, zwarte roest aangetroffen met een ongebruikelijke samenstelling: het bleek een mix van stammen TKTTF, TKKTF, TKPTF, TKKTP, PKPTF en MMMTF[1].

Ik denk dat we de ontwikkeling en sluipende voortgang van zwarte roest heel scherp in de gaten moeten houden. Zaadveredelingsbedrijven moeten voortdurend proberen om resistentie in te bouwen in hun tarwerassen. Als we te laat zijn met reageren dan kan dat grote economische schade opleveren.

[1] Olivera Firpo et al: Characterization of Puccinia graminis f. sp. tritici isolates derived from an unusual wheat stem rust outbreak in Germany in 2013 in Plant Pathology - 2017

Baardgrasmoederkoren

Bothriochloa is een veelvoorkomend en wijdverspreid geslacht van planten in de familie der grassen. Het geslacht is inheems in alle bewoonde continenten, waarmee men slechts bedoelt dat het niet op Antarctica groeit. Toch lijkt het geslacht Europa grotendeels over te slaan, vanwege de wat gematigde temperaturen. Veel soorten worden baardgras genoemd.
In 1992 vonden Japanse biologen op een familielid, Bothriochloa parviflora ('kleinbloemig baardgras'), een onbekend soort moederkoren[1]. Die kreeg dus de officiële naam Claviceps bothriochloae ofwel baardgrasmoederkoren. Het is nog onbekend hoeveel en waar deze moederkorensoort precies voorkomt.

De sclerotia waren ongeveer één millimeter groot en donkerbruin tot donkerpaars van kleur. De stipe (steel) en capitula (kop) bleken zwavelkleurig geel.

[1] Tanda, Muryama: Claviceps bothriochloae on seed of Botriochloa parviflora in Japanese Agricultural Sciences – 1992

Guinéegras moederkoren

Guinéegras (Megathyrsus maximus) is in Engelstalige landen bekend als Guinea grass of green panic grass ('groen paniekgras'). Het is een tot drie meter hoge grassoort die inheems is in Afrika, Palestina en Jemen. Deze soort behoort tot een grotere familie van zo'n 450 soorten die allen de tropische oorden van de wereld bevolken.
Dit Guinéegras is het primaire doelwit van het Guinéegras moederkoren (Claviceps maximensis). Omdat het gras over de hele wereld is verspreid om tuinen te verfraaien is ook Guinéegras moederkoren voortdurend onbedoeld meeverhuisd. Zo is deze moederkorensoort opgedoken in Zuid-Amerikaanse landen en Australië.

De sclerota van Guinéegras moederkoren zijn twee tot negen millimeter lang, bruin tot grijsbruin van kleur en behaard.
Hoewel we ons in ons land nog geen zorgen hoeven te maken over een mogelijke infestatie, zouden we toch voorzichtig moeten zijn voordat we exotische grassoorten in onze tuinen willen gaan planten. Moederkorensoorten staan erom bekend dat ze zich snel kunnen aanpassen aan nieuwe omstandigheden en soorten.

Klein moederkoren

Ook Claviceps pusilla heeft nog geen Nederlandse soortnaam. De reden daarvan is uiteraard dat deze schimmel nog nimmer in ons land is aangetroffen. Maar wat niet is kan nog komen, zeker met de niet te stoppen opwarming van de aarde.
We beginnen dus met de speurtocht naar een geschikte Nederlandse naam. Het tweede deel van zijn wetenschappelijke naam, pusilla, is geleend uit het Latijn, waar het 'klein' betekent. Het ligt dus voor de hand om deze moederkorensoort 'klein moederkoren' te gaan noemen.

Klein moederkoren is wijdverspreid in het Middellandse Zeegebied, Afrika, India, Australië en vermoedelijk China. Het is één van de vier soorten die zich ook in een gematigd klimaat thuisvoelen. Deze soort is te herkennen aan diens driehoekige conidia, de sporen die asexueel aangemaakt worden door deze schimmel.
De planten waar het klein moederkoren het op heeft gemunt bevinden zich in wel twintig geslachten uit de grote grasfamile, waaronder Bothriochloa, Cymbopogon (waaronder citroengras), Capillipedium, Dichanthium, Heteropogon, Hyparrhenia, Vetiveria (waaronder vetivergras, waarvan de essentiële olie gebruikt wordt in de parfums) en Themeda.

Citroengeel moederkoren

Met namen als seashore saltgrass, inland saltgrass and desert saltgrass (Distichlis spicata) hoef je geen talenwonder te zijn om te begrijpen dat dit gras wel van enorm zoute omstandigheden zal houden. Dat klopt. Saltgrass is 'zoutgras' en is inheems over het hele Noord- en Zuid-Amerikaanse continent. Het gras komt ook op andere continenten voor, waar het zich als exoot blijvend heeft gevestigd op dezelfde plaatsen waar hij ook van nature voorkomt.
Nu lijkt een extreem zout-tolerante plant nu niet direct een geschikte plek om een moederkorensoort op te laten groeien, maar het is hem toch gelukt. In de regio Texcoco in centraal Mexico, 25 kilometer noordoostelijk van Mexico City, vonden biologen in 1998 een onbekende soort die ze de naam Claviceps citrina gaven[1]. De soortnaam citrina is afgeleid van het Latijnse citrinus dat 'citroengeel' betekent en de kleur van de sclerota verklaart. Laten we deze soort dan ook alvast maar de Nederlandse naam 'Citroengeel moederkoren' toebedelen, want hij zal ooit wel in ons land opduiken.

De aanpassing naar een ziltig milieu is voor het citroengeel moederkoren niet zonder gevolgen gebleven, want er werden geen giftige ergoline-alkaloïden aangetroffen in de sclerota.

De evolutie van de parasitische schimmels, die behoren tot het geslacht Claviceps, staat in direct verband met de evolutie van hun waardplanten. De moederkoren evolueert dus mee met de evolutie van de plant waarop zij zich heeft gespecialiseerd. Ondertussen bestaan er 43 verschillende soorten moederkorens.

[1] Pažoutová et al: Claviceps citrina sp. nov., a parasite of the halophytic grass Distichlis spicata from Mexico in Science Direct – 1998

Moederkoren en Sint-Antoniusvuur

Vergiftigingen als gevolg van de consumptie van roggebrood, dat gebakken was van door met moederkoren geïnfecteerd graan, was in Europa in de Middeleeuwen heel gewoon. Als je moest kiezen tussen de hongerdood of hier en daar wat vergiftigingsverschijnselen, dan won het knagende gevoel in je maag uiteindelijk de strijd. Je hoopte maar dat het graan niet al te veel besmet was.
[Dodendans]
In die tijd waren vaak geen goede mogelijkheden om graan te vrijwaren van besmettingen en er was al helemaal geen overheid die toezicht op de kwaliteit van rogge hield. Uiteindelijk werd, zoals altijd, de minste kwaliteit toegeschoven naar de mensen die het minst te besteden hadden.

De gifstoffen in het moederkoorn, waaronder de alkaloïde ergotamine, veroorzaken duizeligheid, vermoeidheid, depressie, formicatie (het gevoel dat er insecten onder je huid krioelen), spierverkrampingen, samentrekkingen van de bloedbaan, stuipen, delirium en het verlies van spraak. Ook veroorzaken de gifstoffen hallucinaties en uiteindelijk krankzinnigheid. Vingers en tenen konden door het samenknijpen van de bloedbaan geleidelijk afsterven met als gevolg gangreen.
[Gangreen]
Die spierverkrampingen en stuipen leiden ook tot ongecontroleerde bewegingen die op dansen lijken. Bij vergiftingen konden hele dorpen, maar dan voornamelijk kinderen en jongvolwassenen, massaal urenlang gaan 'dansen' totdat ze van pure vermoeidheid ter aarde stortten.

Het probleem raakte daardoor bekend als the fire that twisted people ('het vuur dat mensen vervormde'). De Franse Hospitaalbroeders van de orde van Sint-Antonius, opgericht in 1095, waren gespecialiseerd in het behandelen van patiënten die leden aan moederkorenvergiftiging ofwel ergotisme. Ze gebruikten smeerseltjes met rustgevende en bloedcirculatiebevorderende extracten van planten. Mede door de sensatie van vuur en branden in de aangetaste lichaamsdelen, kreeg dit ziektebeeld de naam Sint-Antoniusvuur.

Het ziektebeeld moet niet verward worden met de Sint-Jansziekte, dat eveneens wordt gezien als een ziekelijke drang om te dansen. Dát idiote probleem werd in verband gebracht met massahysterie als gevolg van religieuze waanzin en kwam vooral voor tussen de 14de en 17de eeuw in Europa. De symptomen lijken weliswaar ietwat op die van Sint-Anthoniusvuur, maar het probleem is psychisch van aard. De symptomen zijn spasmen, verkrampte spieren, schokken, neervallen, gasophoping in de darmen, aanvallen die leken op epilepsie en een onweerstaanbare drang om te dansen. Soms met de dood tot gevolg. Rare mensen die gelovigen.

Sorghummoederkoren

Sorghummoederkoren (Claviceps sorghi) wordt alleen aangetroffen in India en beperkt in stukjes Zuidoost-Azië. Het invasieve Afrikaans moederkoren overheerst zelfs in India en sorghummoederkoren lijkt steeds meer in het gedrang te komen. Dat Afrikaans moederkoren veel beter in staat is dan sorghummoederkoren om zijn domein uit te breiden heeft te maken met het feit dat de eerste veel sporen met de wind laat meevoeren, terwijl de laatste vrijwel geen door de wind voortgedreven sporen produceert. Sorghummoederkoren moet het hebben van opspattende regendruppels, insecten of direct contact tussen besmette planten.
[Kafferkoren ofwel sorghum]
Jawel, sorghummoederkoren houdt voornamelijk van kafferkoren ofwel sorghum (Sorghum bicolor), ooit slechts inheems in Afrika, maar thans wereldwijd aangeplant in (sub)tropische gebieden. Tegenwoordig bestaan er vele gecultiveerde vormen van kafferkoren en is het een belangrijk voedingsgewas voor zowel mens als dier. Ook is het geschikt voor de productie van alcoholische dranken en biofuel. Toch zijn ook de wilde familieleden van kafferkoren vatbaar voor besmetting plus een wilde grassoort, waaronder parelgerst (Pennisetum glaucum).
Geïnfecteerde bloemetjes zijn te herkennen aan kleverige, oranjebruine vloeibare druppeltjes. De zachte, witte, smalle uitgerekte mycelia kunnen een lengte bereiken van 14 millimeter.

Een besmetting met sorghummoederkoren kan tot 80% verlies van de oogst opleveren. Toch, zo verklaren biologen geruststellend, valt de uiteindelijke schade wel mee omdat het verspreidingsgebied van deze ziekteverwekker maar klein is. Je zult maar nét die ene boer in India zijn die zijn oogst en dus zijn jaarinkomen in rook op ziet gaan.

Dallisgrasmoederkoren

Dallisgras (Paspalum dilatatum) is een grassoort dat inheems is in Brazilië en Argentinië, maar is bijna wereldwijd geïntroduceerd. Soms vormt het zelfs een lastig te bestrijden onkruid als gevolg van zijn snelle groei en diens snel verspreidende wortelstelsel.
[Gezond Dallisgras]
Officieel houdt dallisgras van tropische en subtropische klimaten en is daardoor aanwezig op graslanden in de zuidelijke helft van Noord-Amerika, Zuid-Europa, grote delen van Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Het zaad vormt een gewilde maaltijd voor diverse vogelsoorten.

Mocht het u interesseren: de naam dallisgras is afgeleid van T.A. Dallis, een boer die in de 19de eeuw het gewas op grote schaal verbouwde in Georgia (USA). Geen wonder dus dat het dallisgras intussen in vrijwel het gehele zuiden van de Verenigde Staten voorkomt.

Er bestaat een ziektebeeld onder koeien dat men dallisgrasvergiftiging noemt. Ze worden ziek nadat ze een behoorlijke hoeveelheid dallisgras hebben gegeten dat geïnfecteerd is geweest met dallisgrasmoederkoren (Claviceps paspali). De zaadhoofden van het gras raken in de natte maanden van de herfst besmet. In plaats van mooie platte zaden zie je zwarte tot grijze zwellingen op die zaden en zijn ze bedekt met een kleverig sap.
[Besmet Dallisgras]
Dallisgrasmoederkoren bevat een drietal giftige alkaloïden: paspalinine plus paspalitrem A en B. Het besmette vee vertoont neurologische verschijnselen, waaronder trillen van de grootste spieren en de kop, schokkerige ongecoördineerde bewegingen en ze zijn bovendien schrikachtig en soms ook agressief. De verschrikte dieren rennen dan weg en vallen vaak in ongewone posities. In ernstige gevallen blijven de dieren dan verschillende dagen liggen. Stuiptrekkingen en dood kunnen in extreme gevallen het eindpunt zijn.

Gelukkig, met dit woord zou deze column moeten eindigen, maar dat is weer eens niet het geval. Dallisgras wordt namelijk af en toe ook al in Nederland aangetroffen. Mogelijk verstopt het gewas zich in vogelvoer, mogelijk is het per abuis opgenomen in bepaalde graszaadmengels of mogelijk is het simpelweg het gevolg van de opwarming van de aarde. Waar dallisgras is aangekomen zal dallisgrasmoederkoren vermoedelijk niet lang op zich laten wachten.

[Recensie] Veldgids Paddenstoelen

In Nederland groeien ongeveer 5000 verschillende paddenstoelen. Dat aantal is steeds aan veranderingen onderhevig: er verdwijnen soorten en er komen exotische soorten bij. De Veldgids Paddenstoelen worden uitsluitend plaatjeszwammen en boleten beschreven, de meest opvallende paddenstoelen die Moeder Natuur ons in Nederland heeft willen tonen. Van de ruim 2000 soorten plaatjeszwammen en boleten zijn er in de Veldgids Paddenstoelen 500 beschreven omdat die verantwoordelijk zijn voor 95% van de meldingen bij de Nederlandse Mycologische Vereniging. De rest is dus zo zeldzaam dat ze nauwelijks worden aangetroffen.

De Waddeneilanden zijn natuurlijk al uniek vanwege hun noordelijke ligging, maar het gevarieerde landschap levert ook verschillende microklimaten op. In een kalkrijke duinpan groeien heel andere planten en paddenstoelen dan enkele meters verderop. Dus ook liefhebbers van paddenstoelen kunnen dit najaar hun hart ophalen op de eilanden.
Daarbij komt de Veldgids Paddenstoelen echt van pas, want van iedere beschreven paddenstoel worden duidelijk de kenmerken beschreven en wordt aangegeven waar en wanneer een specifiek exemplaar kan worden aangetroffen. Verder wordt nog duidelijk gemaakt welke soorten zoveel op die beschreven paddenstoel lijken dat vergissingen voor de hand kunnen liggen.

De determinatie van onbekende paddenstoelensoorten wordt ook nog een vergemakkelijkt door een groot aantal sleutels: daarmee wordt je stap voor stap naar de goede soort geleid.

Voor liefhebbers van paddenstoelen is er een standaardwerk op de markt, want de Veldgids Paddenstoelen is zeker onmisbaar voor iedereen die zich daarvoor interesseert.

Nico Dam en Thomas W. Kuyper: Veldgids Paddenstoelen (2013), KNNV Uitgeverij, ISBN 9789050114639, 424 pagina’s, € 39.95

Spechtinktzwam

De spechtinktzwam (Coprinopsis picacea) heeft een donkerbruine tot lichtgrijze ei- of kegelvormige hoed. Verder is de hoed hoog, glanzend, radiair gerimpeld en hier en daar lichtbruin gestreept. De hoed kan een diameter van 4 tot 8 centimeter bereiken. Hij is aanvankelijk volledig bedekt door een wit en viltig velum dat na verloop van de herfst bij het uitgroeien van de hoed in onregelmatige banden openbreekt en dan doet denken aan de veren van een grote bonte specht (Dendrocopos major). Het is tevens de verklaring van zijn naamgeving. De lamellen staan dicht opeen en zijn wit of grijsroze tot zwart. De steel is wit en meestal knolvormig verdikt. De paddenstoel wordt tot zes centimeter hoog.
Deze paddenstoelensoort is van de zomer tot de late herfst te vinden in gematigde gebieden en op kalkrijke, lemige bodems. De paddenstoel wordt voornamelijk alleenstaand aangetroffen in de buurt van beuken. De spechtinktzwam is zo zeldzaam dat men zich gedwongen voelde hem op de rode lijst van zeldzame soorten te plaatsen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Coprinopsis, komt uit het Grieks waar kopros ‘mest’ betekende. De naam verklaart dus dat de naamgevende soort zich bijzonder thuis zal voelen op een mestvaalt. Het tweede deel, picacea, is afgeleid van de wetenschappelijke naam van de (Europese) ekster (Pica pica). Het is onduidelijk waarom men deze paddenstoel in de wetenschappelijke wereld vernoemd is naar een ekster, terwijl hij in de 'normale' wereld meer lijkt op een specht. Het verenkleed van een specht lijkt namelijk veel meer op de spechtinktzwam dan die van een ekster.

Deze paddenstoel ruikt naar de ouderwetse mottenballen en die hadden als werkzame stof naftaleen. De eetbaarheid van de spechtinktzwam is nimmer onderzocht, maar de smaak is zo onaangenaam dat je niet zo snel in de verleiding komt om een hapje te nemen. Verschillende bronnen zeggen dat deze soort giftig is, maar door enkelen zonder nadelige effecten gegeten kan worden. De bronnen vertellen ons niet wat er met de rest van de consumenten is gebeurd.

Het grote probleem is dat de spechtinktzwam verward kan worden met de wél eetbare geschubde inktzwam (Coprinus comatus). Een jonge geschubde inktzwam smaakt volgens de kenners heerlijk, maar moet wel direct na het plukken verwerkt worden. De zwam is niet meer eetbaar wanneer vervloeiing of verkleuring optreedt.

En juist dat is het grote probleem van alle paddenstoelen: veel giftige soorten lijken zoveel op eetbare soorten dat vergissingen nimmer uitgesloten kunnen worden. Zelfplukken moet daarom eigenlijk uitgebannen worden, maar daarmee zal ik wel op lange tenen komen te staan.

Liesgrasmoederkoren

Groot liesgras (Glyceria maxima) is een overblijvende grassoort die inheems is in een grote strook land dat loopt van de kusten van West-Europa tot westelijk Siberië. Als groot liesgras erg zijn best doen kan hij een hoogte bereiken van wel twee meter. Deze soort houdt van natte voeten en groeit aan de oevers van riviertjes en vijvers. Je kunt hem vinden in modderige of venige grond en in ondiep, voedselrijk, stilstaand of zwak stromend, zoet tot zwak brak water. Die vochtige biotopen zijn uiteraard perfecte omstandigheden voor het ontstaan van schimmels en het groot liesgras heeft er zelfs eentje die zich gespecialiseerd heeft in dat gras: liesgrasmoederkoren(Claviceps wilsonii).

Biologen vinden het maar vreemd dat het groot liesgras zo uitbundig in ons land groeit, terwijl de waarnemingen van liesgrasmoederkoren maar op één hand te tellen zijn. Mogelijk wordt de soort vaak verward met echt moederkoren (Claviceps purpurea). In het verleden dachten biologen namelijk dat liesgrasmoederkoren simpelweg een ondersoort van echt moederkoren was en had de wetenschappelijke naam (Claviceps purpurea wilsonii). Pas later begon men het geslacht onder te verdelen per waardplant en dus ontstonden verschillende nieuwe soorten.
Terwijl de meeste soorten moederkoren wind nodig hebben om hun voortbestaan te regelen, kan liesgrasmoederkoren gebruikmaken van de stroming in het water. Zijn sclerotia drijven namelijk.

In Nederland is liesgrasmoederkoren zo'n zeldzame verschijning dat het Ministerie van Economische Zaken het heeft behaagd om deze schimmel aan te wijzen als beschermde soort.
Maar of dát zo'n goed idee is valt natuurlijk te betwijfelen, want alle soorten moederkoren bevatten soms dodelijke hoeveelheden giftige alkaloïden. Liesgrasmoederkoren is echter zo zeldzaam dat zijn giftigheid nog nimmer wetenschappelijk is getest, maar ik ben toch zeker bezorgd omdat we door die onwetendheid ook niet weten of liesgrasmoederkoren ook nog andere planten kan besmetten.

Veel meer over moederkoren kan hier gevonden worden.

Maïsmoederkoren

Maïsmoederkoren (Claviceps gigantea) of horse tooth komt tot nu toe slechts voor in enkele hooggelegen bergvalleien in de hooglanden in Centraal Mexico, waar een specifiek vochtig klimaat heerst. De ontwikkeling van deze schadelijke ziekteverwekker gaat het best bij gemiddelde temperaturen van 13 tot 15 oC en een bijna voortdurende regenval (1,000 mm per jaar)

Het lijkt er op dat maïsmoederkoren zich zo specifiek aan deze klimatologische omstandigheden heeft aangepast dat hij kennelijk niet geschikt is voor de wat drogere gebieden in de omgeving. Omdat maïsmoederkoren slecht is bestudeerd gelooft men dat zijn sporen via insecten worden verspreid, maar ook door het transport van besmette maïsaren of zelfs grond.
De levensloop van het maïsmoederkoren is identiek aan die van andere soorten moederkoren. De behoorlijk grote sclerotia zijn in eerste instantie wit tot crèmekleurig, zacht, kleverig en hol. Later verhardt en verkleurt deze van wit tot grijsbruin. In het midden is hij dan roze tot lavendelkleurig. De aren van de maïs kunnen onderzocht worden op de aanwezigheid van de op een komma lijkende sclerotia, die op een paardentand lijken, vandaar ook diens Engelse benaming horse tooth.

In de paar bergvalleien waar maïsmoederkoren endemisch is kan het onder de juiste omstandigheden binnen no time 50% van alle maïs infecteren. Dat is een ramp voor de arme plaatselijke bevolking die veelal voor hun overleven van die maïs afhankelijk zijn.

Maïsmoederkoren bevat een aantal giftige alkaloïden, waaronder elymoclavine en agroclavine. De elymoclavine is zeker giftig voor mens en dier.

De alkaloïden leiden tot ergotisme, ook wel Sint-Antoniusvuur genoemd. Het ziektebeeld kan leiden tot darmkrampen en doorbloedingsproblemen, waardoor vingers en tenen kunnen afsterven. Tevens kunnen hallucinaties optreden.

Op het Mexicaanse schiereiland Yucatán zijn in het verleden tijdens de vroege koloniale periode een tweetal epidemieën beschreven die lijken op ergotisme met afsterven van lichaamsdelen. Het werd daar fuego de San Antón genoemd.

Veel meer over moederkoren kan hier gevonden worden.

Parelgerstmoederkoren

Parelgerstmoederkoren (Claviceps fusiformis) komt wijdverbreid voor in Africa en India, waar de gastheer, parelgerst (Pennisetum glaucum) al duizenden jaren verbouwd wordt. De infectie met moederkoren werd pas echt een groot probleem toen men in India hybride varianten van parelgerst introduceerde. Een besmetting kan tot 70% opbrengstvermindering in de oogst opleveren in vatbare rassen.

Men denkt dat bepaalde wilde en aan parelgerst gerelateerde grassoorten (Pennisetum spp.) het natuurlijke reservoir vormen van parelgerstmoderkoren.
Wanneer het parelgerstmoederkoren zich eenmaal op een plant gevestigd heeft, begint hij een week na het begin van de infectie structuren te maken die men conidia noemt. Conidia zijn de plaatsen waar de asexuele sporen worden geproduceerd. Conidia worden van plant tot plant verspreid door wind, opspattend regenwater en insecten.

Hoewel parelgerstmoederkoren nog nimmer is gerapporteerd op parelgerst op het Amerikaanse continent, bestaat toch altijd het gevaar. Er is al eenmaal een infectie aangetroffen op buffelgras (Pennisetum ciliare) in Mexico én eenmaal in de staat Texas (USA). Buffelgras is een exoot uit Afrika en het is dus zeker mogelijk dat de ziekteverwekker is meegelift naar de overkant van de Atlantische Oceaan.

Parelgerstmoederkoren maakt, onder andere, de alkaloïden agroclavine, elymoclavin, penniclavine, lysergol, lysergene aan. Onderzoek toonde aan dat muizen, die werden blootgesteld aan parelgerstmoederkoren al bij lage doseringen niet meer in staat waren zich voort te planten[1]. Parelgerstmoederkoren zorgt bij koeien voor agalactia, een aandoening waarbij de melkproductie stopt. Bij mensen is het eten van met parelgerstmoederkoren parelgerst ook al niet zorgen gevolgen. Het veroorzaakt misselijkheid, overgeven en milde neurotoxiciteit (schade aan de hersenen of het zenuwstelsel).

Wat kunnen we doen om een besmetting tegen te gaan, is natuurlijk de vraag. Een deel van het probleem heb je niet in de hand, want de natuur is onvoorspelbaar en kan voor parelgerstmoederkoren perfecte omstandigheden creëren. Een landbouwer moet schoon zaad gebruiken dat resistent is tegen parelgerstmoederkoren, al blijft de armoede in India en Africa ook in dit geval voor problemen zorgen. Voor de rest moet de boer zorgen voor een droge en doorluchte bewaarplaats voor zijn zaadmateriaal.

Veel meer over moederkoren kan hier gevonden worden.

[1] Mantle: Interruption of early pregnancy in mice by oral administration of agroclavine and sclerotia of Claviceps fusiformis (Loveless) in Journal of Reproduction and Fertility – 1969

Afrikaans moederkoren

Afrikaans moederkoren (Claviceps africana) infecteert sorghum (Sorghum spp.) en parelgerst (Pennisetum glaucum). Het infecteert alleen onbevruchte vruchtbeginsels. De infectie wordt in verband gebracht met koude nachttemperaturen van 12°C of lager en dan zo'n twee tot drie weken voor de bloei van de planten. Afrikaanse moederkoren scheidt dihydroergosine, een ergotalkaloïde, af, oorspronkelijk aangemaakt als een vorm van zelfbescherming tegen vraat van plantenetende dieren. Toch lijkt de giftigheid van Afrikaans moederkoren voor vee minimaal te zijn en is het grootste probleem de afname van opbrengst.
Symptomen van een infectie met Afrikaans moederkoren zijn, onder andere, uitscheiding van donkere massa die de plaats inneemt van de zaden. Men noemt deze massa sclerotia of honingdauw, een kleverige vloeistof met een hoge concentratie suikers en conidia, aseksuele sporen van de schimmel. Insecten eten van deze zoete massa en zorgen voor verspreiding van de infectie. Het grootste gevaar schuilt echter in het feit dat Afrikaans moederkoren ook microconidia aanmaakt die over grote afstanden met de wind kunnen worden meegevoerd.

Mannelijk steriele lijnen van sorghum, de zogenaamde A-lines, zijn uiterst kwetsbaar voor infecties. Voor het eerst in de zestiger jaren van de vorige eeuw was dat feit boeren opgevallen en nadien zijn regelmatig zware verminderingen (tot meer dan 50%) van opbrengsten genoteerd.
Afrikaans moederkoren veroorzaakte tussen 1903 en 1906 een ernstige hongersnood in delen van noordelijk Kameroen in West-Afrika. Besmet sorghum komt ook met enige regelmaat voor in oostelijke en zuidelijke delen van Afrika, voornamelijk Zimbabwe en Zuid-Afrika. Gedurende de negentiger jaren verspreidde Afrikaans moederkoren zich naar landen als Brazilië en Australië. Rond 1997 had de plantenziekte zich al naar de meeste Zuid-Amerikaanse landen uitgebreid en daarna waren het Caraïbisch gebied en Mexico aan de beurt. In maart 1997 werd de eerste besmetting in Texas (USA) aangetroffen, niet veel later gevolgd door de staten Georgia, Kansas en Nebraska. Ook is Afrikaans moederkoren al in India aangetroffen.

Die snelle verspreiding is voornamelijk het gevolg van het nonchalante gesleep met geïnfecteerde zaden. Bovendien toont het de 'fitheid' aan van deze schimmel. Had Charles Darwin toch gelijk met zijn 'survival of de fittest'.

Overigens klinkt de naam 'moederkoren' veel te lief en zouden we het beter kunnen vervangen door 'loederkoren'.

Veel meer over moederkoren kan hier gevonden worden.

Patuline

Patuline is een zogenaamd mycotoxine, dat wordt aangemaakt door verschillende veel voorkomende schimmels, waaronder Aspergillus, Penicillium en Byssochlamys. Deze gifstof wordt in de natuur het meest aangetroffen op rottende appels en vijgen. Behalve appels doen de verschillende schimmels zich ook met graagte tegoed aan andere voedingsmiddelen, zoals granen, vruchten en groenten.

In het algemeen wordt de hoeveelheid patuline in producten, waarin bijvoorbeeld appels zijn verwerkt, gezien als een kwaliteitsaspect: hoe meer patuline in het eindproduct wordt aangetroffen, hoe slechter de kwaliteit van de appels was die daarvoor werden gebruikt. Het gaat dan voornamelijk om appelsap.
Patuline zorgt bij proefdieren voor inwendige bloedingen, oedeem, darmvernauwingen en beschadigingen aan het immuunsysteem.

Mycotoxines behoren tot de giftigste stoffen die de natuur kan aanmaken. Aflatoxines (in katoen, pinda's, specerijen, pistachenoten en maïs) zijn bijvoorbeeld al in kleine hoeveelheden krachtige carcinogene stoffen en zorgen al snel voor leverkanker. Ochratoxines (in bier en wijn) zijn ook al kankerverwekkend en zijn in verband gebracht met tumoren aan de urinebuis. Citricine (in kaas, sake en sojasaus) is zeer giftig voor je nieren. Fusarium (in graan en maïs) heeft vaak een fatale afloop bij vergiftigingen in knaagdieren. Over moederkoren is hier al voldoende gezegd.

Zoals een beroemde ex-voetballer ooit gezegd heeft: ieder nadeel heeft zijn voordeel. Met het oog op die wijze uitspraak heeft de wetenschap patuline ooit ingezet als een antibioticum tegen infecties met Gram-positieve en Gram-negatieve bacteriën, maar nadat het een paar keer goed fout was gegaan heeft men het 'geneesmiddel' maar snel in de prullenbak gegooid. Ook is het ooit gedurende de Tweede Wereldoorlog getest als middel tegen verkoudheden, maar ook daarmee is men maar snel gestopt toen de bijwerkingen groter bleken te zijn als de veronderstelde werking.

Hoewel de aangetroffen waarden patuline in appelsap niet zo verschrikkelijk hoog zullen zijn, heeft de Europese Gemeenschap het toch nodig geacht om een maximale waarde vast te stellen. De limiet is officieel vastgesteld op 50 microgram per kilogram (µg/kg) voor zowel appelsap als appelcider. Voor vaste appelproducten (denk aan appelschijfjes op een appeltaart) ligt de maximale waarde op 25 µg/kg. Voor producten die bestemd zijn voor zuigelingen en peuters is die waarde zelfs vastgesteld op slechts 10 µg/kg.

Nu zijn die verplichte maximale waarden al in 2003 ingesteld en dus zou je kunnen verwachten dat iedere fabrikant zich daar ondertussen aan houdt. Niet dus, zo bleek uit recente overheidscontroles.
[Uit: FoodHolland: 21 december 2015]

Gele aardappelbovist

De gele aardappelbovist (Scleroderma citrinum of Scleroderma aurantium) is een schimmel en het niet helemaal duidelijk of hij zichzelf wel een paddenstoel mag noemen. Deze bovist heeft namelijk geen steel of slechts een korte, steelachtige basis en van een paddenstoel verwachten we natuurlijk wel een steel. De gele aardappelbovist is te vinden op de heide en in loofbossen. Het is een zeer algemene soort, die van de zomer tot de herfst gezien kan worden. Het ruwhuidige vruchtlichaam heeft een doorsnede van 5-10 cm, terwijl de kleur varieert van geelachtig tot okerkleurig.

Met een naam als aardappelbovist is het niet een verrassing dat deze schimmel behoorlijk wat gelijkenis vertoont met een aardappel, maar eigenlijk zou ‘aardbal’ een beter passende naam zijn. In Engeland wordt de gele aardappelbovist dan ook common earthball (‘gewone aardbal’) of pigskin poison puffbal (‘op varkenshuid gelijkende giftige bal die sporen uitblaast’).
[Foto: George Barron]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Scleroderma, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij skleros ‘hard’ betekent en dermos ‘huid’ betekent. Samen beschrijft het de behoorlijk stevige huid van de bovisten. Het tweede deel, citrinum, is uiteraard afkomstig van het Latijnse woord citrus, dat ooit ‘citroenboom’ heeft betekend, maar later ook de kleur geel aanduidde. Dat men hier de kleur heeft bedoeld, wordt ook duidelijk bij de verklaring van de alternatieve soortnaam, aurantium, want dat betekent ‘goudkleurig’.

Normale paddenstoelen hebben hun sporen onder de hoed hangen, laten die vallen en de sporen worden vervolgens door de wind meegevoerd. De gele aardappelbovist doet het anders hij valt uiteindelijk simpelweg in stukken uiteen en daardoor zullen de sporen vrijkomen.

De gele aardappelbovist ruikt onaangenaam en dat zou al een waarschuwing moeten zijn. Toch vergissen mensen zich nog wel eens omdat hij kan worden aangezien voor een wel eetbare reuzenbovist (Calvatia gigantea). Let wel: die reuzenbovist is slechts eetbaar als het vlees nog wit is.

Wat voor gezondheidsschade het onverhoopt consumeren van een gele aardappelbovist opleveren? Een maaltje zal al snel tot maag- en darmproblemen (buikkrampen, misselijkheid en overgeven) leiden. Normaal gesproken ben je na een paar uur op het toilet wel weer op orde, maar sommigen verliezen door aanhoudende diarree zoveel vocht dat er zelfs sufheid, verwardheid en de neiging tot flauwvallen kan optreden. Er bestaan overigens ook meldingen dat mensen last kregen van de rondzwevende sporen: gemeld zijn tranende ogen, loopneus, irritatie van het neusslijmvlies en conjunctivitis (ontsteking aan het oogslijmvlies).

Mocht iemand zich nog afvragen waar we het woord ‘bovist’ aan te danken hebben dat is het antwoord dat het afkomstig is van het oud-Duitse woord Bubenfist, dat ooit ‘boevenveest’ heeft betekent, waarbij een ‘veest’ een ‘buikwind’ was.

Gegordelde parasolzwam

Er bestaan in Nederland tientallen verschillende soorten parasolzwammen en dus moeten naamgevers creatief zijn wanneer een opnieuw een soort benoemd moet worden. De gegordelde parasolzwam (Lepiota brunneoincarnata) is precies wat zijn naam zegt: hij verschilt van zijn soortgenoten doordat het velum geen ring vormt, maar donkerbruine gordeltjes op het onderste deel. Het velum is het beschermende membraam om de paddenstoel.

De gegordelde parasolzwam heeft een bruine tot wijnkleurige hoed met een doorsnede van 2 tot 6 centimeter, waarbij vooral het centrale deel bedekt is met schubjes. In Nederland kun je hem in bossen en parken op een voedselrijke bodem aantreffen.
[Foto: Strobilomyces]
Over de betekenis van het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lepiota, bestaat wat verwarring. Sommige, meer romantisch ingestelde taalkundigen, geloven dat het woord afkomstig kan zijn van het Latijnse woord clypeus dat ‘schild’ betekent. Taalhistorisch is dat onlogisch omdat we deze familie paddenstoelen tegenwoordig dan klepiota zouden noemen. Nee, veel waarschijnlijker is dat het afgeleid is van het Griekse lepion dat ‘dunne korst’ of ‘schilfer’ betekent. Dat woord is uiteindelijk afgeleid van lepein (‘schillen’ of ‘pellen). Het verklaart het schilferige uiterlijk van deze familieleden. Het tweede deel, brunneoincarnata, dien je eigenlijk als twee woorden te lezen: brunneo betekent bruin (van het Latijnse brunneus) en incarnata betekent ‘vlees maken’. Samen is het dus een paddenstoel die verkleurt naar een bruine kleur.

Het grote probleem is dat, hoewel eetbare parasolzwammen goed van elkaar te onderscheiden zijn, ze toch verward kunnen worden met andere niet-eetbare soorten. Bovendien hebben sommigen een zoetige geur, waardoor misschien de indruk wordt gewekt dat ze eetbaar zijn. De gegordelde parasolzwam is echter een wolf in schaapskleren.

Vele parasolzwammen zijn giftig, een paar zijn dodelijk giftig en sommige, zoals de grote parasol, de knolparasol en de tepelparasol zijn zeer smakelijk. De gegordelde parasolzwam behoort tot de dodelijk giftige soorten en deelt deze toppositie met soortgenoten als de kastanjeparasolzwam (Lepiota castanea) en de vaalroze parasolzwam (Lepiota subincarnata).

Het specifieke gif van de bovengenoemde parasolzwammen is amatoxine. Dit gif heeft het vooral op je lever en nieren voorzien. De stof kan door je huid kan worden opgenomen en kan zelfs door inademing zijn schadelijke werk gaan verrichten. Blootstelling aan deze amatoxines kan resulteren in hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, kortademigheid hoesten, slapeloosheid, diarree, maag- en darmproblemen, rugpijn, veel plassen en de al genoemde lever- en nieruitval. Een ander groot probleem is dat het gif sluipenderweg zijn werk doet en je de effecten soms na een week pas gaan voelen. In de medische literatuur zijn de nodige dodelijke gevallen bekend. Zelfs door het inademen van het gif.

Giftige gordijnzwam

Er wordt gemeld dat de giftige gordijnzwam (Cortinarius orellanus) in ons land inheems is, maar tegelijkertijd een zeer zeldzame verschijning is. De giftige gordijnzwam is meer algemeen in streken die zuidelijker van ons land liggen, maar toch zijn er ook een stuk noordelijker exemplaren aangetroffen. Zelfs in Noorwegen is hij geen onbekende.

Hij en zijn nog giftiger broertje de dodelijke gordijnzwam (Cortinarius rubellus) hebben een roestbruine tot oranjekleurige hoed met een doorsnede van zo'n acht centimeter. Deze zwammen houden van een zurige ondergrond en worden het meest aangetroffen in bosachtige gebieden onder bomen waar de bodem de juiste samenstelling heeft.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cortinarius, is afkomstig van het Italiaanse woord cortina dat zoiets als 'gordijn' betekent en het poogt te verklaren dat de steel een soort web of gordijn lijkt te hebben. Het tweede deel, orellanus, eert Francisco de Orellana (1505-1550 nC), een conquistador uit Peru en lid van de allereerste expeditie die de hele lengte van de Amazonerivier afvoer. Voor de volledigheid: het tweede deel van zijn broertje, rubellus, is Latijns voor 'rood' of 'rossig'.

Het grote gevaar van deze gordijnzwammen is dat ze zoveel lijken op eetbare paddenstoelen, zoals de cantharel, en je moet wel een heel goede kennis van zaken hebben om de boel goed uit elkaar te houden. De giftige gordijnzwam en de dodelijke gordijnzwam zijn beide dodelijk als gevolg van de aanwezigheid van toxines als orellanine, orelline, orellinine alsmede cortinarine A, B en C.

Vooral de orellanine staat bekend als een extreem giftige stof die het speciaal op de lever gemunt heeft. Het wordt nog erger gemaakt doordat het een behoorlijke tijd duurt voordat de eerste effecten merkbaar worden. De eerste symptomen verschijnen gewoonlijk pas na een dag of drie, maar er zijn gevallen bekend dat het drie weken duurde. Zoek dan nog maar eens de oorzaak van een vergiftiging.

De eerste symptomen van een vergiftiging met deze gordijnzwammen lijken veel op die van echte griep. Je kunt dus rekenen op misselijkheid, overgeven, maagpijnen, hoofdpijn, scheelzien, en meer. Vaak denk je dus dat je even moet uitzieken, maar onderhuids doet het gif zijn verwoestende werk. Je begint ongerust te worden bij de eerste tekenen van nierfalen (vreselijke dorst, veelvuldig plassen, stekende pijnen in en om je nieren). Dat is slechts het begin want vervolgens hebt je een verminderde of beëindigde urine-aanmaak. Dit betekent het einde van je nieren en zonder behandeling zul je spoedig overlijden.

Bij het woord behandeling moet je niet denken aan zoiets als tegengif. Dat is er dus niet. Je moet aan de dialyse en hopen dat iemand een nieuwe nier voor je beschikbaar wil stellen.

Karbolchampignon

De karbolchampignon (Agaricus xanthodermus) is een buitenbeentje binnen het geslacht Agaricus. Tot dit geslacht behoren ook bekende en veel met smaak opgepeuzelde soorten als de champignon (Agaricus bisporus en Agaricus bitorquis) en de gewone weidechampignon (Agaricus campestris). Omdat de karbolchampignon ook veel gelijkenis vertoont met de soorten die je probleemloos kunt eten liggen problemen al snel op de loer. De karbolchampignon is namelijk licht giftig.

Gewoonlijke heeft de hoed een kleur van gebroken wit, precies zoals de normale champignon ook zal hebben. De hoed kan een doorsnede van maximaal 15 centimeter bereiken. De lamellen zijn oorspronkelijk lichtroze van kleur en neigen op latere leeftijd naar chocoladebruin. De karbolchampignon wordt vanaf het voorjaar tot het najaar aangetroffen in vrijwel alle mogelijk beschutte habitats, waaronder bossen, parken en tuinen.

De karbolchampignon komt veelvuldig voor in diverse landen van Europa, Noord-Amerika, westelijk Azië, noordelijk Afrika en zuidelijk Afrika. In Australië heeft hij zich door menselijke falen een plekje toegeëigend in de mycoflora.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Agaricus, is een Latijnse vorm van het Griekse woord agarikon, dat op zijn beurt weer afstamt van Agaria, een plaats in Sarmatia, thans gelegen in de Oekraïne. Het tweede deel, xanthodermus, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij xanthos 'geel' is en derma 'huid'. Met andere woorden: de karbolchampignon heeft een geel huidje en dat klopt. Wanneer de stam of hoe van deze paddenstoel doorgesneden of beschadigd wordt dan verkleuren ze sterk zwavelgelig.
[Foto: James K. Lindsey]
Ik geef direct toe dat de karbolchampignon niet de meest giftige paddenstoel van ons land is, maar je kunt er toch behoorlijk last van krijgen mocht je een heerlijk maaltje reguliere champignons verwacht hebben. Toch ondervindt, volgens de verhalen, niet iedereen de kwalijke gevolgen van deze champignonsoort. Sommigen hebben nergens last van, maar de meerderheid kan toch rekenen op zweten, een gevoel van oververhitting, misselijkheid, overgeven, maag- en darmkrampen. Die giftigheid is het gevolg van de aanwezigheid van wat aparte chemische verbindingen: fenol alsmede diazo- en hydrazineverbindingen (zoals xanthodermine en hydroxybenzoldiazonium-ion). Bovendien zou deze champignonvariant ook nog eens zware metalen, zoals cadmium en lood, uit de bodem opnemen en die wil je al helemaal niet in je lichaam hebben.

De karbolchampignon heeft gelukkig een sterke en karakteristieke geur. De geur is fenolachtig en doet denken aan de ouderwetse carbolzeep. Het ligt een beetje aan je persoonlijke smaak of je het een onaangename of aangename aantasting van je reukorgaan is, maar het zou een duidelijk signaal moeten zijn als je de karbolchampignons in een pan stopt om ze te koken of bakken. Een carbolgeur hoort niet in gerechten thuis.

Porfieramaniet

De porfieramaniet (Amanita porphyria) is ook alweer lid van de beruchte en wereldwijd voorkomende familie van amanieten. Het is zelfs een lastpost omdat hij soms uiterst zeldzaam is, terwijl hij in andere jaren weer uitbundig kan voorkomen. Hij wordt gezien als licht giftig en bovendien lijkt hij sterk op enkele andere familieleden, waarvan sommige niet of nauwelijks giftig zijn en anderen, zoals de panteramaniet, juist weer dodelijk giftig. De porfieramaniet is een bosbewoner waar hij schuilt onder zowel loof- en dennenbomen en ook dat is weer verwarrend. Al met al is de porfieramaniet een vervelende snuiter voor de liefhebber van eetbare paddenstoelen.

De grijsbruine hoed van de porfieramaniet heeft soms een doorsnede van wel tien centimeter en hij is dus een redelijk grote verschijning. Het vruchtvlees is wit gekleurd en heeft een opvallende radijsachtige geur. De porfieramaniet komt voor in zowel Europa en Noord- en Zuid-Amerika. In de wetenschappelijke literatuur wordt niet overtuigend verklaard dat de hoed van de Europese variant grijsbruin is met nauwelijks waarneembare violette tinten. Zijn Amerikaanse broertje zou grijsbruin zijn en vaak zonder die violette kleurschakering. Neem maar van mij aan dat beide varianten in principe dezelfde kleuren vertonen met een miniem verschil dat te maken zal hebben met klimaat, ondergrond en omringende flora.
[Foto: Palangos pušynas]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Amanita, is afkomstig van het Griekse woord Amanitai. Het is een meervoudsvorm en betekent ‘(een soort) Paddenstoelen’. Ja, dat snappen wij ook wel en en het betekent dat de naamgevers zich er met een Jantje-van-Leiden hebben afgemaakt want ook wij zien wel dat een amaniet een soort paddenstoel is. Het tweede deel, porphyria, is van Griekse herkomst: porphyros betekent purper en dus paarsachtig. Het poogt de kleur van de hoed te verklaren die immers violetachtig kan zijn.

Zoals gemeld is de porfieramaniet niet geschikt voor consumptie, maar dat is niet het hele verhaal. De milde giftigheid van de porfieramaniet is het gevolg van de aanwezigheid van twee giftige stofjes: α-amanitine en allenisch norleucine. Teveel snoepen van de porfieramaniet kan toch een opmerkelijk aantal vervelende lichamelijke problemen opleveren, zoals maag- en darmstoornissen, krampen, onbestemde angsten, koude rillingen, zweten, desorientatie, verwardheid, nierfalen, een algeheel gevoel van malaise, oligurie (een verminderde aanmaak van urine), polyurie (vermeerderde aanmaak van urine) en dorst.

Als ik in een sarcastische stemming zou zijn dan ligt de volgende opmerking voor de hand: voor een niet zo heel giftige paddenstoel vallen die klachten toch wel mee?

Giftige satijnzwam

In Nederland is de giftige satijnzwam (Entoloma sinuatum) enorm zeldzaam, maar dat maakt het probleem alleen maar groter omdat liefhebbers van eetbare paddenstoelen zich dan veel sneller kunnen vergissen. De giftige satijnzwam is weliswaar de grootste satijnzwam, maar aan die kennis heb ook niet zoveel want er komen natuurlijk ook kleinere exemplaren voor.

Deze soort heeft een ivoorkleurige tot lichtgrijze hoed met een doorsnede tot 20 centimeter en de randen van die hoed zijn ietwat ingekruld. Hij houdt het liefst van een bosrijke omgeving. De giftige satijnzwam verschijnt vanaf laat in de zomer, vaak in de vorm van heksenkringen. De hele familie van satijnzwammen kenmerkt zich doordat ze roze hoekige sporen hebben.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Entoloma, is een combinatiewoord uit het Grieks. Daar herkennen we entos ('binnen' of 'binnenin') en loma ('rand' of 'grens'). Samen verklaart het de ingerolde rand van deze paddenstoel. Het tweede deel, sinuatum, is het Latijnse woord voor 'golvend' en doelt op de vorm van de hoed van deze specifieke soort.

Eetbare satijnzwammen bestaan niet en de meeste soorten zijn in meer of mindere mate giftig. Als hij nog jong is lijkt hij veel op de eetbare voorjaarspronkridder (Calocybe gambosa) en helaas heeft de eveneens eetbare grote molenaar (Clitopilus prunulus) ook roze hoekige sporen en ook dat is een goed eetbare soort. Om het nog ingewikkelder te maken groeien giftige satijnzwammen vaak op dezelfde plaatsen als die eetbare soorten. Hierdoor ligt het gevaar van verwisselen al snel op de loer en het opeten van de giftige satijnzwam is beslist geen goed idee.

Het gif van de giftige satijnzwam is nog niet voldoende onderzocht, maar de effecten van dit specifieke mycotoxine, een alkaloïde, zijn behoorlijk ernstig. Er wordt verondersteld dat deze paddenstoel in zijn eentje verantwoordelijk is voor 10% van alle vergiftigingen met paddenstoelen in Europa. In eerste instantie krijg een slachtoffer veel last van maag- en darmproblemen, zoals diarree, misselijkheid en overgeven. Ook wordt een soms stekende hoofdpijn gemeld. Van deze symptomen kun je wel 48 uur last houden. Erger zijn de problemen met je lever, die het gif niet voldoende kan verwerken en daardoor is soms zelfs een levertransplantatie onontkoombaar. Ook heeft het gif een effect op je geest: er ontstaan vaak stemmingswisselingen en een delirium. Soms blijft een gevoel van depressie wel maandenlang hangen.

Een kuur tegen deze vergiftigingsverschijnselen bestaat niet en er wordt slechts aan symptoombestrijding gedaan. Het is oppassen geblazen voor mensen die het zo leuk vinden om paddenstoelen uit het wild te oogsten.

Gele ridderzwam

Van het geslacht Ridderzwam (Tricholoma) komen in Nederland ongeveer 35 soorten voor. Van dit aantal zijn er een aantal eetbaar en een aantal giftig. De gele ridderzwam (Tricholoma equestre) is recent van de eerste naar de tweede categorie overgeplaatst. Een strafoverplaatsing, zo zal hieronder blijken.

De gele ridderzwam heeft een kegelvormige hoed met een doorsnede tot wel tien centimeter. De kleur van de bovenzijde van de hoed benoemt men gewoonlijk als heldergeel met een khaki-kleurig centrum. De lamellen zijn citroenerig geel. De steel is ook al geel en is gewoonlijk een centimeter of tien lang. Hij is een zeldzame gast, maar als je geluk hebt, kun je hem in Nederland in naaldbossen aantreffen in een droge, voedselarme omgeving.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tricholoma, is een combinatiewoord uit het Grieks van trichos ('haar') en loma ('rand' of 'grens'). Het zal de vorm van de hoed beschrijven. Het tweede deel, equestre, is van Latijnse oorsprong. Het woord equester is 'van een (paarden)berijder' of 'ruiter' want een equum is een paard. De soortnaam verklaart de vorm van de hoed, die op een zadel lijkt. Vroeger hadden alleen ridders de beschikking over een écht zadel. De rest van de bevolking kon zich óf geen paard óf geen zadel veroorloven.

Van de gele ridderzwam werd van oudsher gedacht dat het een eetbare soort was. Hij werd zelfs bijzonder geroemd om zijn smaak en de fijnproevers konden op de markt eeuwenlang eenvoudig een maaltje kopen. Maar tussen 1992 en 2000 zijn er een twaalftal gevallen bekend gemaakt van mensen die een vorm van rhabdomyolysis hadden opgelopen als gevolg van het eten van grote hoeveelheden gele ridderzwam. Een ziekte met een onheilspellende naam als rhabdomyolysis betekent meestal niet veel goeds en dat klopt. Rhabdomyolysis is een voortgeschreden spierziekte, waarbij dwarsgestreept spierweefsel steeds verder beschadigd raakt, spiercelafbraak optreedt en de inhoud van de spiercellen in de circulatie belandt.

Met andere woorden: je spieren lossen op. De eerste signalen van vergiftiging traden binnen een tot vier dagen op met patiënten die spierzwakte melden die soms vergezeld ging met pijn. Die spierzwakte werd gedurende een dag of vier steeds erger en ging vergezeld van een gevoel van stijfheid en het donker worden van de urine doordat het lichaam de afbraakproducten afvoerde. Misselijkheid, zweten en een rode gelaatskleur werden ook gemeld. Uiteindelijk stierven drie van de 12 patiënten.

Dat was zeker geen goed nieuws voor de reputatie van de gele ridderzwam, een reputatie die ook al onder druk was komen te staan om het nogal makkelijk is om je te vergissen. Hij heeft namelijk een aantal broertjes, zoals de scherpe gele ridderzwam (Tricholoma aestuans) en de narcisridderzwam (Tricholoma sulphureum), die nogal op hem lijken en min of meer giftig zijn. Een fataal foutje is dus al snel gemaakt.

Zwartgroene melkzwam

Nee, echt aantrekkelijk ziet de zwartgroene melkzwam (Lactarius necator) er niet echt uit met zijn vettige en wat olijfgroenige hoed. Om die reden heet hij in Engeland de Ugly Milk-cap (‘lelijke melkzwam’). Het is een redelijk grote soort waarvan de hoed wel 20 centimeter in doorsnede kan worden. Het liefst groeit de zwartgroene melkzwam in bosachtig gebied.

Deze paddenstoel wordt aangetroffen in heel Europa tot aan de oneindig lijkende bossen van Siberië. In Noord-Amerika voelt hij zich ook thuis, maar in Australië en Nieuw-Zeeland is hij per ongeluk geïntroduceerd.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Lactarius, is van Latijnse oorsprong want lacto is ‘melk’, maar dát woord is weer geleend uit het Grieks waar galaktos ook al ‘melk’ betekende. Melkzwammen scheiden allemaal in meer of mindere mate een waterig, vaak wit gekleurd sap af. Het tweede deel, necator, is afkomstig van het Latijnse necare en betekent zoiets als ‘moord’, ‘doden’ of ‘ter dood brengen’. We herkennen het woord nog in ons hedendaagse 'necrofiel'. Dat zegt dus duidelijk iets over de vermeende giftigheid van deze paddenstoel.

De melk en het vruchtvlees van de zwartgroene melkzwam smaken bijzonder onaangenaam scherp. Biologen vergelijken die scherpe smaak zelfs met die van de beroemde Madame Jeanette pepertjes, de scherpste Spaanse pepertjes die er bestaan. Echt zo scherp dus dat men blaren op de tong en in de mondholte gemeld heeft. Mede daarom wordt hij vaak als ‘niet eetbaar’ gemeld, maar dat doet geen recht aan zijn échte giftigheid. Van deze soort wordt namelijk gemeld dat het necatorine bevat en dat is een sterk mutageen ofwel kankerverwekkend vergif. Het koken of bakken van deze paddenstoel vermindert wel de concentratie van het gif, maar zal het nimmer in zijn geheel kunnen verwijderen. Een kwart van het gif resteert en voorzichtigheid is en blijft dus geboden. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze necatorine chemisch verwant is aan het dodelijk giftige mycotoxine aflatoxine B1.

Toch werd deze paddenstoel in sommige oostelijk van ons gelegen Slavische gebieden lange tijd als een lekkernij gezien. De scherpe smaak van de zwartgroene melkzwam werd dan ingezet om een bord met wat flauw smakende paddenstoelen wat op te peppen. Hij wordt zelfs in zout ingelegd in Siberische supermarkten verkocht. In Noorwegen wordt de geroosterde paddenstoel aan koffie toegevoegd.

Het blijft vreemd dat sommige mensen nog steeds deze paddenstoelensoort op de korte termijn beoordelen (omdat hij lekker gevonden wordt), terwijl hij op langere termijn kankerverwekkend blijkt te zijn. De paddenstoel zelf heeft het duidelijk genoeg willen maken dat hij niet gegeten wil worden door er onappetijtelijk uit te zien en ook zich ook nog eens giftig te maken.

Voorjaarsamaniet

De voorjaarsamaniet (Amanita verna) staat in Engelstalige landen bekend als de destroying angel (‘vernietigende engel’) of de fool’s mushroom (‘paddenstoel voor sukkels’). Beide benaming kloppen want hij ziet er [a] bedrieglijk onschuldig, bijna engelachtig mooi uit, terwijl hij dodelijk giftig is en [b] hij lijkt op nogal wat eetbare paddenstoelen en dus ben je niet zo slim als je zonder kennis van zaken maar wat paddenstoelen in het wild gaat plukken. Het zou zo maar je laatste kunnen zijn.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Amanita, is afkomstig van het Griekse woord Amanitai. Het is een meervoudsvorm en betekent ‘(een soort) Paddenstoelen’. Het tweede deel, verna, is een moderne Latijnse term en stamt af van het Latijnse woord vernus dat ‘lente-achtig’ betekende.

De voorjaarsamaniet is, zoals zijn naam al aangeeft, een uitzondering in het geslacht amanieten omdat hij in de lente al voorzichtig boven de grond uitsteekt. De paddenstoel zelf verschijnt in de zomer en herfst en is dan maximaal 10 centimer hoog en helemaal wit van kleur.

Het is een broertje van de dodelijk giftige groene knolamaniet (Amanita phalloides) en daardoor deelt hij ook diens gifstoffen. Net zoals de groene knolamaniet bevat de voorjaarsamaniet een aantal amatoxines, voornamelijk alpha-amantine. Deze gifstof is een inhibitor (remmer) van RNA polymerase II. Dat is een enzym dat in je lichaam de belangrijke taak heeft om de transcriptie van DNA op te starten. Wanneer dat enzym dus niet goed werkt is het lastig om in leven te blijven. Het toxine is dus dodelijk voor de mens. Bovendien is de voorjaarsamaniet zo giftig voor je lever en nieren dat die er na korte tijd ook al de brui aan geven.

Het is ook nog een sluipmoordenaar omdat de negatieve en soms onomkeerbare symptomen zich pas vertonen na een periode van 6 tot 24 uur na het eten van de paddenstoelen. Het wordt dan voor artsen lastig om te snappen wat de oorzaak van de gezondheidsproblemen zijn. Die problemen beginnen met een licht gevoel van onbehagen, niet veel later gevolgd door hevige krampen en diarree. Vervolgens nemen die klachten langzaam af, maar op de derde dag zullen dezelfde symptomen zich herhalen. Dan wordt het punt bereikt dat de lever en nieren onherstelbaar beschadigd raken en het enige wat iemand dan nog kan redden is een snelle transplantatie van zowel lever als nieren. Sta je niet snel genoeg en hoog genoeg op de transplantatielijst dan is de dood onontkoombaar.

Het eten van dertig gram levert vaak al de dodelijke dosis van deze paddenstoel op, maar de fatale dosis varieert nogal en hangt af van het gewicht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de onfortuinlijke consument.

Giftige weidetrechterzwam

De Engelse naam voor de giftige weidetrechterzwam (Clitocybe rivulosa) is de false champignon (nep champignon) of fool’s funnel (trechterzwam voor dwazen) en dan weet je wel hoe laat het is: deze paddenstoel kan nogal gemakkelijk verward worden met eetbare soorten en dat kan weer tot vervelende gevolgen leiden.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Clitocybe, is een combinatiewoord uit het Grieks: clito komt van kleistos dat ‘dicht’ of ‘gesloten’ betekent, terwijl cybe ‘hoofd’ betekent. Samen vertelt de soortnaam ons dus iets over het gesloten kopje van de paddenstoel. Het tweede deel, rivulosa, is afkomstig uit het Latijn waar rivus een ‘beekje’ of ‘stroompje’ kon betekenen. Het oppervlakte van de hoed kan na verloop van tijd concentrische ringen van barstjes vormen en die barstjes lijken op kronkelende beekjes. Het is wat vergezocht, ik weet het.

De giftige weidetrechterzwam is één van de vele soorten trechterzwammen die in heel Europa worden aangetroffen in gebieden met gras, zoals weilanden, plantsoenen en zelfs je eigen grasveldje. De soort staat bekend om de mooie heksenkringen die het kan vormen. Het is een broertje van de na koken eetbare nevelzwam (Clitocybe nebularis) – die toch bij sommigen misselijkheid kan veroorzaken - en de knotsvoettrechterzwam (Clitocybe clavipes) – die niet in combinatie met alcohol gebruikt kan worden.

De giftige weidetrechterzwam heeft als belangrijkste giftige component de bekende muscarine. Dat is hetzelfde stofje dat de vliegenzwam ook zo giftig maakt. Het vervelende is dat de giftige weidetrechterzwam dat gif zelfs in nog hogere hoeveelheden in zich draagt dan die vliegenzwam. Natuurlijk zijn de vergiftigingsverschijnselen wel hetzelfde, namelijk een verhoogde speekselproductie, zweten en overmatig tranende ogen. Dat alles gebeurt zo'n 15 tot 30 minuten na de inname. Is de ingenomen dosis hoger dan ontstaan problemen zoals maag- en darmpijnen, ernstige misselijkheid, overgeven, onscherp zien en problemen met de ademhaling. De vergiftgingsverschijnselen zullen na een uur of twee wel wat gaan verminderen, maar in heel zeldzame gevallen kun je er door hartfalen of ademhalingsfalen zelfs dood aan gaan.

De giftige weidetrechterzwam staat in Engelstalige landen ook bekend als de sweating mushroom ('zwetende paddenstoel'). Die naam heeft hij uiteraard te danken aan het hierboven beschreven overmatige zweten van de patiënt.

Er bestaat een specifieke kuur: atropine. Dat ook niet echt ongevaarlijke medicijn wordt gewonnen uit dodelijk giftige planten als de wolfskers (Atropa belladonna), de doornappel (Datura stramonium) en de alruin (Mandragora officinarum). Al met al het soort medicijn dat je eerder in de boeken van Harry Potter zou denken aan te treffen dan in een moderne apotheek.

Grote kale inktzwam

Zoals al uit eerdere bijdragen is gebleken hebben giftige planten en paddenstoelen vaak twee gezichten: ze kunnen dodelijk zijn, maar tegelijkertijd kunnen ze ook als medicijn worden ingezet. De grote kale inktzwam (Coprinopsis atramentaria) heeft ook twee gezichten omdat hij zowel eetbaar als giftig is. Hoe dat kan zullen we hieronder gaan lezen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Coprinopsis, komt uit het Grieks waar kopros ‘mest’ betekende. De naam verklaart dus dat deze paddenstoel zich bijzonder thuis zal voelen op een mestvaalt. Het tweede deel, atramentaria, komt uit het Latijn. In het oude Rome betekende atramentum ‘(zwarte) inkt’. En dus heeft deze paddenstoel in de hele westerse wereld zo’n beetje dezelfde naam als gevolg van het doel waarvoor men hem gebruikte.

Hoewel de grote kale inktzwam klein (3 tot 7 centimeter in doorsnede) en teer lijkt is hij behoorlijk sterk. Hij groeit in groepjes, die vaak groeien op dood hout dat onder de grond ligt. Zelfs asfalt en gravel zijn soms geen partij voor de groeikracht van deze paddenstoel.

De grote kale inktzwam is eetbaar, maar pas op met alcohol. De grote kale inktzwam bevat coprine. In het lichaam wordt dat afgebroken en een actief afbraakproduct (een metaboliet) met de heerlijke naam 1-aminocyclopropanol. Die stof blokkeert de werking van het enzym acetaldehyde dehydrogenase dat bedoeld is om acetaldehyde in het lichaam af te breken. Dat zegt u waarschijnlijk nog steeds niets, maar acetaldehyde is zelf weer een metaboliet van ethanol (de alcohol in drank) en die zorgt natuurlijk voor die vervelende kater. Met een uitgeschakeld enzym wordt de alcohol niet meer afgebroken en blijft de kater bestaan. Verdere symptomen zijn een blozend gezicht, misselijkheid, overgeven, hoofdpijn, maag- en darmklachten, algeheel gevoel van onbehagen en tintelingen in de ledematen. Soms treden zelfs hartritme stoornissen op. Deze symptomen kunnen al na vijf minuten na het drinken van een alcoholische versnapering optreden en kunnen tot drie dagen nadien optreden. De symptomen zijn trouwens ook precies dezelfde als die optreden bij disulfiram, een voor sommigen bekend anti-alcoholmedicijn met namen als Antabus en Refusal.

In Groot Brittannië heeft de grote kale inktzwam als bijnaam tippler’s bane. Tegenwoordig betekent een tippler in het Engels zoiets als ‘gewoontedrinker’, terwijl bane in het oud-Engels nogal onheilspellend ‘moordenaar’ betekende, maar in het moderne Engels wat milder als ‘ellende’ of ‘ondergang’ wordt vertaald. Samen is dat dus de ‘ondergang van de gewoontedrinker’. Maar hoe je het ook bekijkt: alcohol en de grote kale inktzwam gaan echt niet samen.

Voorjaarskluifzwam

Deze keer bespreken we opnieuw een paddenstoel, die in dubbel opzicht gevaarlijk is. De voorjaarskluifzwam (Gyromitra esculenta) is dodelijk giftig, maar lijkt veel op de zeer door fijnproevers gewaardeerde echte morielje (Morchella esculenta). De tot acht centimeter brede en bruine hoed van de voorjaarskluifzwam vertoont hersenkronkelachtige windingen. Bij de morieljes is de hoed wat meer raatvormig gekamerd. Maar het verschil bestaat uiteraard alleen bij perfect gevormde exemplaren waardoor beide soorten in de natuur toch veel gelijkenis kunnen vertonen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Gyromitra, is een combinatiewoord uit het Grieks: gyros is ‘rond’ en mitra is ‘hoofdband’. Samen is dat zoiets als ‘ronde hoofdband’ en het probeert de vorm van de hoed te beschrijven. Het tweede deel, esculenta, is afgeleid van het Latijnse woord esculentis dat ‘eetbaar’ betekent. Uhm, zo zul je op dit moment gaan opmerken, de voorjaarskuifzwam was toch dodelijk giftig? Dat klopt. Vroeger had men echter het idee dat de voorjaarskluifzwam na tweemaal koken wel ontgift zou zijn en probleemloos als maaltje genuttigd kon worden, maar tegenwoordig is gebleken dat het allemaal iets anders zit. Zelfs na het koken blijven er gifstoffen in de paddenstoelen zitten en mensen met een kwetsbare gezondheid kunnen daardoor nog steeds in grote problemen raken. Rauw zijn de paddenstoelen helemaal gevaarlijk als gevolg van de aanwezige gyromitrine. In het lichaam wordt die stof gehydrolyseerd tot het nog giftige monomethylhydrazine (MMH). Dit gif tast de lever, de nieren en het centrale zenuwstelsel aan. De eerste symptomen zijn heftig overgeven en diarree, die pas na een uur of 5 tot 7 gaan optreden. Daarna volgen zaken als duizeligheid, lethargie (een toestand van geestelijke ongevoeligheid) en stekende hoofdpijnen. Ernstige gevallen kunnen leiden tot een delirium, coma en dood, vaak mede als gevolg door het uitvallen van je lever- en nierfuncties. Bovendien werkt het gif ook nog eens cumulatief (stapelend) in je lever en nieren zodat de problemen toenemen als je af en toe eens een verkeerde paddestoel eet.

Een vervelend bijverschijnsel is dat de genoemde gyromitrine nogal vluchtig is. Daardoor kan zelfs de aanwezigheid van voorjaarskluifzwammen in een slecht geventileerde ruimte als voor de bovengenoemde problemen zorgen. Eventjes leuk paddenstoelen zoeken in het bos en deze gezellig op de vensterbank laten drogen kan in dit geval dus al levensgevaarlijk zijn.

Wat ook lastig is, is dat de voorjaarskluifzwm verward kan worden met de eetbare morieljes. Gelukkig zijn die heerlijke morieljes uit de supermarkt wel veilig, zo denk je. Niet dus. Zelfs morieljes bevatten kleine hoeveelheden gif en zouden in geen geval rauw gegeten moeten worden. Er bestaan verhalen dat zelfs gekookte morieljes in combinatie met alcohol tot milde vergiftigingsverschijnselen kunnen leiden.

Morielje is afgeleid van morchel, een oud Duits woord voor paddenstoel. Weet je dat ook weer.

Bundelmosklokje

Kort gezegd hebben paddenstoelen op twee manieren echt praktisch nut voor de mens: als voedsel (de eetbare paddenstoelen) en als drug (de hallucinerende paddenstoelen). Het wordt al snel heel vervelend als je binnen een bepaalde familie enkele familieleden aantreft die óf eetbaar zijn, óf hallucinogeen zijn óf dodelijk giftig zijn en dat ze daarbij ook nog eens een sterke familiegelijkenis vertonen.

Het bundelmosklokje (Galerina marginata) is zo’n levensgevaarlijke giftige paddenstoel met een aantal nuttige broertjes en zusjes. Het stobbezwammetje (Galerina mutabilis) is eetbaar en de zeer zeldzame Galerina steglichii bevat weer het hallucinogene psylocibine. De paddenstoelen van het geslacht Galerina zijn in het algemeen vrij klein met een hoed tot 7 centimeter in doorsnede en bruinig van kleur. Het bundelmosklokje wordt kan het hele jaar worden aangetroffen, al zie je hem toch wel het meest in de herfst. In Engeland staat hij ook bekend als de autumn skullcap (herfstdoodshoofd). Dat zegt ook voldoende, lijkt me.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Galerina, heeft Latijnse wortels: een galea was een leren helm en het verbeeldt de vorm van de hoed van het bundelmosklokje. Het tweede deel, marginatus, komt ook uit het Latijn en betekent zoiets als ‘aan de rand’. Vergelijk het Nederlandse ‘in de marge (van het bestaan) leven’ en je moet het dus vertalen als klein en onbetekenend.

Zoals gezegd is het bundelmosklokje dodelijk giftig en dat is het gevolg van de aanwezigheid van α-amanitine en enkele andere amatoxines. Opmerkzame lezers zullen hier opmerken dat dit dezelfde gifstoffen zijn als die we in de amanieten (vliegenzwam, groene knolamaniet, panteramaniet en kleverige knolamaniet) hebben aangetroffen en dat klopt. Toch zijn beide geslachten niet direct verwant.

Het onbedoeld opeten van het bundelmosklokje levert dus ook vrijwel dezelfde problemen op als die beschreven worden bij een vergiftiging met de amanieten: de symptomen kunnen tussen 6 en 24 uur na het eten optreden en zijn onder andere vreselijke maag- en darmpijnen, misselijkheid, overgeven, diarree, die wel 6 tot 9 uur kan aanhouden. Daarna verdwijnen de symptomen voor ongeveer 24 uur (wat de Engelsen de honeymoon – wittebroodsweken – noemen), maar gedurende deze periode worden door de gifstoffen wel ongemerkt de lever en de nieren verwoest. Dat leidt na die 24 uur tot bloedingen in de darmen, uitval van nieren en lever, coma en na een dag of zeven de dood. Het gif is thermostabiel en dat betekent dat koken of bakken van de paddenstoelen geen enkel effect heeft op de kracht van het gif. Als therapie worden hoge doses penicilline toegepast, maar onduidelijk is of dat echt werkt.

Echt moederkoren

Natuurlijk is moederkoren (Claviceps purpurea) geen echte paddenstoel, maar wel een daaraan gerelateerde schimmel. Moederkoorn wordt al sinds mensenheugenis gevreesd door zijn extreme giftigheid en ontstaat vaak na koude winters, die gevolgd worden door regenachtige zomers. Bepaalde graansoorten, zoals rogge, tarwe en gerst, blijken dan erg vatbaar te zijn voor het ontstaan van moederkoorn. De aangetaste graankorrels werden vroeger vaak ongemerkt verwerkt tot brood.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Claviceps, is afkomstig uit het Latijn en clavi betekent ‘sleutel’. De uitgang -cula maakt het geheel een verkleinwoord waardoor het samen ‘sleuteltje’ betekent en de vorm van moederkoorn beschrijft. Het tweede deel, purpurea komt natuurlijk ook uit het Latijn en betekent ‘purper’. Onder invloed van zonlicht verkleurt moederkoren en kan paarsig lijken. De meer wetenschappelijke naam voor moederkoren is ergot en dat woord is op zich weer afkomstig van het oud-Franse woord argot dat ‘spoor’ (van het paard de sporen geven) betekent en ook dat woord beschrijft de wat vreemde vorm van het moederkoren.

De giftigheid van het echte moederkoren is het gevolg van hoge concentraties (tot wel 2 procent van de droge massa) van het alkaloïde ergotamine. Hoewel de schimmel ook nog andere schadelijke ergoline-alkaloïden in zich draagt is die ergotamine wel de meest giftige en het heeft zelfs de naam gegeven aan een speciaal ziektebeeld; ergotisme. In de Middeleeuwen werd deze aandoening wel ‘Saint Anthony’s Fire’ genoemd naar de monniken van de Orde van Sint Anthony plus de meest in het oog springende symptomen. Je kreeg namelijk een vreselijk brandend gevoel in je ledematen als gevolg van doorbloedingsproblemen. Daardoor ontstond vaak gangreen en moesten die ledematen door de monniken worden geamputeerd (waar ze na verloop van tijd erg bedreven in werden). De gifstoffen hadden ook een behoorlijk negatief effect op de geest: ze veroorzaakten hallucinaties, irrationeel gedrag, misselijkheid, overgeven, toevallen, stuiptrekkingen en zelfs de dood (als je de eerdere amputaties al had overleefd).

Die grote nadelen werden echter tijdelijk voordelen wanneer het moederkoren werd ingezet als middel om een abortus op te wekken of om bloedingen na de geboorte te stelpen. Vaak stierf echter niet alleen de ongeboren en ongewenste vrucht, maar ook de moeder.

De ergotamine wordt tegenwoordig gebruikt om lysergisch zuur te maken en dat is zelf een chemische voorloper voor LSD. Moederkoren bevat van nature zelf ook minieme hoeveelheden van dat lysergisch zuur. Geen wonder dus dat moederkoren hallucinerend werkt. Maar alles is niet wat het schijnt omdat uit de moederkoren twee werkzame middelen worden geproduceerd die gebruikt worden bij de succesvolle behandeling van de Ziekte van Parkinson. Vervelend is wel dat je hartkleppen er kapot van gaan.

Veel meer over moederkoren kan hier gevonden worden.

Kleverige knolamaniet

De kleverige knolamaniet (Amanita virosa) behoort tot de familie van de amanieten en daarmee is hij in goed gezelschap met behoorlijk wat giftige broertjes en zusjes, waaronder de vliegenzwam (Amanita muscaria) en de groene knolamaniet (Amanita phalloides). Deze soort is één van de dodelijkste en is tegelijkertijd behoorlijk zeldzaam. Dat is op zich ook alweer een probleem omdat de bol- of eivormige jonge zwammen gemakkelijk met jonge champignons verward kunnen worden. Zijn hoed en lamellen zijn namelijk zuiver wit. Daarom moet dringend gewaarschuwd worden tegen het verzamelen van onvolgroeide champignons.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Amanita is afkomstig van het Griekse woord Amanitai. Het is een meervoudsvorm en betekent ‘(een soort) Paddenstoelen’. Het tweede deel, virosa, is afgeleid van het Latijnse woord virosus dat ‘giftig’ betekent. Vergelijk het maar met het woord ‘virus’ dat ooit ook zijn leven begon als (onzichtbaar) gif. In Engelstalige landen wordt deze paddenstoel destroying angel (‘vernietigende engel’) genoemd en dat zegt ook al dat hij er engelachtig mooi uitziet, maar dodelijk giftig moet zijn.

De kleverige knolamaniet bevat zulke dodelijke hoeveelheden amatoxines en phallotoxines, dat deskundigen zelfs waarschuwen om exemplaren niet naast andere, eetbare paddenstoelen te leggen of om ze niet met ongehandschoende handen vast te pakken. Van de amatoxines zijn α-amanitine en β-amanitine de belangrijkste componenten die verantwoordelijk zijn voor de vergiftigingsverschijnselen. Deze amanitines zijn cirkelvormige peptides van acht aminozuren. Deze peptides belemmeren de werking van het RNA-polymerase-enzym en dat is heel lastig want daardoor ga je dood. De cellen van je lever en nieren kunnen hun afval niet meer kwijtraken en sterven af. Daardoor stoppen deze organen uiteindelijk met werken en de enige optie is dan nog een transplantatie. Er bestaat geen antistof of medicijn tegen dit gif.

Het vervelende is ook nog dat de eerste effecten pas na een uur of 10 zichtbaar worden. Daardoor is het vaststellen van de oorzaak al een stuk lastiger en het leegpompen van de maag heeft dan ook geen nut meer. Die eerste effecten zijn overgeven, diarree en hevige krampen, maar die gaan na een uur of zes weer over en het geeft dus een gemeen signaal van ‘ik ben weer aan het opknappen’. Op de vierde of vijfde dag begint het maagdarmkanaal te bloeden en worden de lever en nieren fataal aangetast, je glijdt in een coma met ademhalingsuitval en een week later ben je dood.

In de negentiende eeuw hadden Franse ‘onderzoekers’ een kuur gevonden: vermalen hersenen van konijnen in jam (om de smaak te verbeteren) zou helpen. Ikzelf denk eigenlijk niet dat het helpt.

Puntig kaalkopje (of paddo)

De officiële naam voor de ‘paddo’ is het puntig kaalkopje (Psilocybe semilanceata). De gebruikers, die zichzelf bijna liefkozend ‘psychonauten’ noemen zeggen met grote stelligheid dat het gebruik geheel ongevaarlijk is. Maar daarover later meer.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Psilocybe, is een combinatiewoord uit het Grieks: psilos is ‘kaal’ en kube is ‘hoofd’. Letterlijk betekenen deze twee woorden samen ‘kale kop’ en dat beschrijft de algemene vorm van de hoed van het geslacht kaalkopjes. In het tweede deel, semilanceata, herkennen we de Latijnse woorden semi wat ‘half’ betekent plus lanceata wat zoiets betekent als ‘met een lans doorboord’. Samen verklaren deze woorden de vorm en het lijkt inderdaad alsof de steel de hoed bijna doorboord heeft. Plantkundigen zien vaak een knoop of een tepel op die plaats zitten.

De werkzame bestanddelen van het kaapkopje zijn psilocybine en psilocine. De werking berust op het feit dat ze de effecten van de neurotransmitter serotonine in je hersenen nabootsen.

De eerste beschrijvingen van het gebruik van paddo’s komen uit midden-Amerika waar de Azteken ze tijdens hun rituelen gebruikten. Ondertussen wordt de paddo ook in Nederland gebruikt voor zijn hallucinerende effecten. Een trip is eigenlijk niet meer dan een kortdurende verstoring van de werking van je zintuigen. Je denkt misschien dat je kleuren mooier ziet, muziek intenser beleeft en dat je plotseling de diepere betekenis van het leven doorgrondt. Maar dat alles is slechts een illusie. Maar als het ergste van je kan overkomen een illusie is, dan kun je je afvragen waar de regering zich zo druk over maakt. Die wil de verkoop van de paddo namelijk gaan verbieden.

Om die vraag te beantwoorden richten we ons op een onafhankelijk rapport van de CAM (Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs)[1]. Die heeft diepgaand onderzoek gedaan naar de mogelijke gevaren van de paddo’s. Hun conclusie is dat er geen sprake is van lichamelijke of geestelijke afhankelijkheid en de giftigheid blijft grotendeels beperkt tot mogelijke paniek- en angstaanvallen. Hun advies aan de regering is dan ook om de paddo’s en hun gebruikers maar met rust te laten.

Het vervelende is echter dat in datzelfde rapport een paar behoorlijk nadelige effecten zijn beschreven, die men niet mee heeft gewogen. Het effect van alcohol met paddo’s blijkt soms onvoorspelbare negatieve effecten op te leveren, er staan een behoorlijk aantal gevallen in beschreven van mensen, die na gebruik probeerden te vliegen en te pletter zijn gevallen, en het blijkt dat mensen met een neiging tot schizofrenie en paranoia plotseling in een psychose kunnen raken.

Een ongevaarlijke paddenstoel? Voor sommigen misschien niet en dat maakt hem juist weer zo gevaarlijk.

[1] RIVM: Risicoschatting van psilocine en psilocybine bevattende paddenstoelen (paddo's) - 2007.